Meervoudige intellingentie

Hoi!

 

Wat, weet je dat niet eens? Jij bent echt dom.

Een uitspraak die ik in veel klaslokalen heb gehoord en waar ik de kriebels van krijg. Natuurlijk zie ik ook dat het ene kind beter is in rekenen dan het andere kind, maar dom bestaat niet. Je kunt namelijk slim zijn op heel veel verschillende manieren. Daar gaat vandaag over.

 

Gardner (1993) kwam met dit idee van Meervoudige Intelligenties. Hij stelt niet de vraag ‘hoe knap ben jij’, maar ‘hoe ben jij knap’. Meervoudige intelligentie
komt erop neer dat een mens niet op één, maar op verschillende manieren
intelligent kan zijn. Gardner identificeerde op basis van langdurig hersenonderzoek en onderzoek in leersituaties acht intelligenties. Ieder persoon beschikt over alle acht vormen van intelligentie, maar de ene is sterker ontwikkeld dan de andere. Zo zijn mensen op verschillende manieren ‘knap’. Hij gaat er vanuit dat intelligentie niet zozeer is uit te drukken in een getal, maar vooral betrekking heeft op bekwaamheid om problemen op te lossen, om nieuwe problemen te onderkennen of te creëren en om dit te kunnen toepassen in een betekenisvolle omgeving.

 

Afbeeldingsresultaat voor meervoudige intelligentie cirkel

 

De acht intelligenties zijn:

  • Verbaal linguïstisch: deze intelligentie spitst zich toe op denken in, met en over woorden.
    Leerlingen die hier sterk in zijn houden van lezen, schrijven, spreken
    en luisteren.
  • Logisch mathematisch: deze intelligentie gaat over logisch, abstract denken en rekenenwiskunde. Leerlingen lossen graag vraagstukken op, berekenen uitkomsten en vinden het leuk om relaties te bepalen zoals oorzaakgevolg en als-dan.
  • Visueel-ruimtelijk: hierbij gaat het om bijvoorbeeld tekenen, schilderen, beeldhouwen en ontwerpen. Ook hebben leerlingen vaak een goed richtinggevoel.
  • Muzikaal-ritmisch: melodieën en ritmes spelen hierbij een hoofdrol. Leerlingen die hier sterk in zijn vinden het fijn om naar muziek te luisteren of zelf muziek te maken. Ze hebben gevoel voor ritmische aspecten van rekenenwiskunde, zoals de tafel van drie als een ritme bij het opzeggen van de getallenrij: een, twee, drie, vier, vijf, zes.
  • Lichamelijkkinesthetisch: gebaren en bewegen staan hier centraal. Leerlingen die hier sterk in zijn houden van lichamelijke activiteiten, handvaardigheid, toneelspelen en ontwikkelen van fysieke vaardigheden.
  • Naturalistisch: deze intelligentie is aan de orde als leerlingen natuurlijke verschijnselen observeren, analyseren en vergelijken zoals planten, dieren, wolken en stenen.
  • Interpersoonlijk: sleutelbegrippen hierbij zijn communiceren, betrokkenheid, contact hebben, samen dingen uitwisselen en ervaren. Interpersoonlijke leerlingen genieten van werken en leren met anderen.
  • Intrapersoonlijk: denken over gevoelens, stemmingen, herinneringen vormt hier de kern. Mensen die deze intelligentie bezitten houden van afzondering, stilte, reflectie en dergelijke.

 

 

Bron: Buter, A. (2004). Meervoudige intelligentie en coöperatief leren. Geraadpleegd op 20 augustus 2017, van http://www.fisme.science.uu.nl/publicaties/literatuur/6152.pdf

 

Vandaag een manier om dit met de kinderen te bespreken.

Voor de acht intelligenties zijn vormen van ‘slim beschreven’.

  • Verbaal linguïstisch wordt woordslim
  • Logisch mathematisch wordt denkslim
  • Visueel-ruimtelijk wordt beeldslim
  • Muzikaal-ritmisch: wordt muziekslim
  • Lichamelijkkinesthetisch wordt lichaamslim
  • Naturalistisch wordt natuurslim
  • Interpersoonlijk wordt zelfslim
  • Intrapersoonlijk wordt mensenslim

 

Deze termen bespreek je eerst met de kinderen. Waar zou iemand die muziekslim bijvoorbeeld goed in zijn? En wat kan iemand die zelfslim is heel goed? Op deze manier ga je samen met de kinderen alle acht de intelligenties langs.

Dan kunnen alle kinderen zelf invullen op welke manier zij slim zijn. Daarvoor heb ik dit format gemaakt (het middelste plaatje komt van internet). Alles wat je nodig hebt is acht verschillende kleuren. Dan kunnen de kinderen per ‘slim’ invullen hoe slim zij daarin zijn. Als je een beetje slim bent, kleur je 1 streepje. Als je super slim bent, dan kleur je vijf streepjes. Leg ook uit, dat iedereen dingen heel goed kan en dingen lastiger vindt. Dus niet alle vijf de streepjes hoeven bij alle ‘slims’ zijn ingekleurd. Het gaat erom dat de kinderen het eerlijk invullen.

 

Als voorbeeld heb ik het format gekleurd:

Dit kind is dus heel erg mensenslim en wat minder woordslim en denkslim.

Het mooie is, dat de kinderen daarna erg goed kunnen zien wie op welk gebied slim is en aan de hand hiervan kun je ook uitleggen dat we elkaar kunnen helpen en kunnen leren van elkaar.

 

Liefs,

Juf Sylvia

 

Geschreven door

Geef een reactie